Nieuws

mei
20

BZK vult voorwaarden Besluit Woningbouwimpuls 2020 verder in

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft de Regeling Woningbouwimpuls 2020 gepubliceerd.

De regeling betreft een nadere uitwerking van het eerder deze week gepubliceerde Besluit Woningbouwimpuls 2020 (WBI2020), waaruit gemeenten binnenkort een specifieke uitkering kunnen aanvragen voor hun kosten in projecten gericht op de realisatie of versnelling van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving.

De nu gepubliceerde regeling bevat nadere regels met betrekking tot onder meer de voorwaarden om voor een specifieke uitkering in aanmerking te komen, het uitkeringsplafond (dit is vastgesteld op € 985 miljoen, € 15 miljoen is bestemd voor de uitvoering van de regeling), de aanvraag én het systeem van rangschikking van aanvragen. Daarnaast zijn in de regeling nadere regels opgenomen met betrekking tot de Toetsingscommissie Woningbouwimpuls.

Specifieke randvoorwaarden
Er is in de regeling dus onder meer een aantal randvoorwaarden opgenomen waar een project aan moet voldoen. Er is hierbij gekozen om een ondergrens van 500 woningen te hanteren. De grens van 500 woningen is gekozen omdat de beschikbare middelen schaars zijn; € 985 miljoen is in de woningbouw snel besteed aldus BZK. Deze ondergrens wordt wel na een jaar geëvalueerd.

Er is daarnaast voor gekozen om de ondergrens voor het aandeel betaalbare woningen op 50% van de woningen vast te stellen. Dit borgt enerzijds dat er voldoende betaalbare woningen worden gebouwd, anderzijds zorgt prijsdifferentiatie ervoor dat er gemengde wijken ontstaan.

De nu bekendgemaakte voorwaarde om binnen drie jaar na toekenning van de bijdrage te beginnen met de bouw van de eerste woningen past binnen de doelstelling om sneller betaalbare woningen te realiseren. De termijn van drie jaar betekent dat een project al enige mate van concreetheid moet hebben om tijdig tot realisatie te komen.

Verder is een voorwaarde opgenomen dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar financieel publiek tekort. In de situatie zonder impuls zouden medeoverheden deze last volledig zelf moeten dragen om het project tot uitvoering te laten komen. Met de impuls kan deze last gedeeld, maar niet weggenomen worden. Dit wordt gedeeld doordat maximaal 50% van het aangetoonde financiële tekort als bijdrage kan worden aangevraagd. De andere helft van het resterende financiële tekort komt dus voor rekening van de medeoverheden.

Kijk voor meer informatie en een uitgebreide toelichting op: https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-28062.html

Terug naar overzicht