Nieuws

mei
13

Weer steun voor toezicht en handhaving energiebesparing

Met de wijziging wordt de regeling opnieuw opengesteld, waardoor omgevingsdiensten nieuwe specifieke uitkeringen kunnen aanvragen voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028.

Ook zijn enkele andere wijzigingen doorgevoerd. Zo zijn enkele activiteiten in bijlage 1 aangepast, zijn de administratieve lasten voor omgevingsdiensten om te voldoen aan de specifieke uitkering verminderd én is de verplichting voor een omgevingsdienst geschrapt om minimaal één fte (fulltime-equivalent) aan te nemen en om minimaal 40% van uitkering jaarlijks te besteden. Een andere wijziging betreft de inzet van de expertise van omgevingsdiensten in andere regio's.

Ook is bijlage 2 aangepast, waarbij de bedragen per omgevingsdienst zijn gewijzigd. De verdeelsleutel die in 2022 is opgesteld, is onveranderd gehanteerd. De laatste wijziging betreft de aanpassing van verschillende data en jaartallen in de artikelen en de momenten waarop uiterlijk een aanvraag kan worden ingediend en de halfjaarlijkse rapportage moet worden ingevuld.

Activiteiten bijlage 1
Het stimulerend toezicht is belangrijker gemaakt en is nu als apart onderdeel opgenomen in bijlage 1, namelijk B-activiteiten. Stimulerend toezicht wordt omschreven als het aansporen en motiveren van bedrijven of instellingen om energiebesparende maatregelen te treffen, waarbij de nadruk niet ligt op regulier toezicht en handhaving.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) zal een menukaart opstellen van de verschillende vormen van stimulerend toezicht die nu al worden toegepast door omgevingsdiensten in Nederland. Deze menukaart zal verspreid worden onder alle omgevingsdiensten, zodat zij kennis en ervaringen bij elkaar kunnen opdoen. Om het belang van stimulerend toezicht te vergroten, is als verplichting in de regeling opgenomen dat minimaal 5% van de totale uitkering van de omgevingsdienst moet worden besteed aan stimulerend toezicht.

Om bestedingsvrijheid te houden voor de omgevingsdiensten, vanwege het toevoegen van de hierboven beschreven 5% eis die aan stimulerend toezicht moet worden besteed, is in de regeling opgenomen dat het minimale percentage dat besteed moet worden aan A-activiteiten wordt verminderd van 70% naar 65%.

Tot slot is activiteit A5 aangepast, over het deelnemen aan de landelijke structuur voor toezicht en handhaving. Vanwege de verdere professionalisering binnen de landelijke structuur van OmgevingsdienstNL, richt de structuur zich niet alleen op de energiebesparings- en onderzoeksplicht voor EU-ETS deelnemers, maar op de gehele doelgroep van de energiebesparingsplicht. Activiteit A5 wordt met deze aanpassing omschreven als het deelnemen aan de landelijke structuur van OmgevingsdienstNL voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht.

Jaarlijks actualiseren projectplan
De tweede wijziging betreft het verlagen van de administratieve lasten voor de omgevingsdiensten. De eis om jaarlijks het projectplan te actualiseren is geschrapt. Deze verlenging betreft een verlenging van twee jaar en vanwege deze korte duur is het niet noodzakelijk om na de aanvraag, waar wel een projectplan voor moet worden ingediend, opnieuw dit plan te actualiseren.

Uit signalen van omgevingsdiensten en uit het klanttevredenheidsonderzoek van RVO over deze specifieke uitkering bleek dat de omgevingsdiensten dit als veel werk beschouwen. Om de voortgang alsnog te kunnen monitoren, zullen de omgevingsdiensten ieder halfjaar moeten rapporteren over de totale bestedingen en de bestedingen aan de A- en B-activiteiten.

Verwijderen twee verplichtingen
De eis om minimaal 1 fte (of 0,5 fte als de bijdrage aan een omgevingsdienst minder is dan € 140.000) aan te nemen voor toezicht en handhaving vervalt. In de afgelopen jaren heeft de nadruk gelegen op het opbouwen van capaciteit. Dat is goed gelukt, aangezien er tot 2026 103 fte aan personeel is aangenomen. Het is niet noodzakelijk om deze eis te behouden, omdat het niet vanzelfsprekend is dat omgevingsdiensten opnieuw personeel zullen aannemen. Zij kunnen immers ook met het huidige personeelsbestand het toezicht en de handhaving uitvoeren. Met het verwijderen van deze verplichting hoeft er ook niet meer over te worden gerapporteerd.

Ook de eis om jaarlijks minimaal 40% van de uitgekeerde middelen te besteden vervalt. Deze eis was opgenomen om te monitoren of er sprake was van voldoende vooruitgang in de besteding van de middelen vanaf 2022 tot en met 2026. Nu nieuwe specifieke uitkeringen voor slechts twee jaar worden verstrekt, is deze eis niet meer nodig.

Expertise omgevingsdiensten landelijk inzetbaar
De vierde wijziging betreft de inzet van de expertise van omgevingsdiensten in andere regio's dan het werkgebied van de desbetreffende omgevingsdienst. A- en B1-activiteiten mochten niet door derden worden uitgevoerd. Nu geldt dat deze activiteiten uitsluitend door werknemers in dienst bij een omgevingsdienst mogen worden uitgevoerd. Door deze aanpassing kan specifieke expertise van omgevingsdiensten in andere regio's worden ingezet. Hierdoor wordt de samenwerking tussen omgevingsdiensten bevorderd.

Openstelling en subsidieplafond
De openstelling voor de periode 2027-2028 loopt van 3 augustus 2026 tot en met 2 oktober 2026. Voor deze periode is totaal € 27,571 miljoen beschikbaar.

Terug naar overzicht