Nieuws

jul
7

Koolmees: € 1 miljard voor nieuwe regeling voor duurzame inzetbaarheid

Minister Koolmees (SZW) heeft de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de hoofdlijnen van een nieuwe tijdelijke subsidieregeling voor sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden.

De nieuwe subsidieregeling betreft één van de maatregelen uit het pensioenakkoord, waarin ook afspraken zijn gemaakt over duurzame inzetbaarheid, zodat mensen hun pensioen gezond werkend kunnen bereiken.

De regeling wordt gericht op het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen in gezamenlijk overleg subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van de RVU-heffing en het introduceren van faciliteiten voor werkenden om inzicht te krijgen in de effecten op het inkomen en pensioenuitkering bij het gebruik maken van diverse regelingen. Het kabinet stelt hiervoor in totaal € 1 miljard beschikbaar voor een periode van vier jaar vanaf 2021.

Op dit moment is Koolmees in overleg met de sociale partners bij de Stichting van de Arbeid om een goede invulling te geven aan de tijdelijke subsidieregeling. Hoewel dit overleg nog loopt, informeert de minister de Tweede Kamer nu dus alvast over de contouren van de regeling. Hieronder een overzicht van deze contouren.

Wie kan subsidie aanvragen?
De tijdelijke subsidieregeling staat open voor alle sectoren in Nederland. Aanvragen kunnen worden ingediend door een samenwerkingsverband op sectoraal niveau van werknemers- en werkgeversorganisaties; dit kunnen ook overheidswerkgevers zijn. Ook andere partijen, zoals O&O fondsen, brancheorganisaties en kenniscentra, kunnen bij het samenwerkingsverband van decentrale sociale partners aansluiten. Er wordt gestreefd naar één aanvraag per sector, om zodoende samenwerking binnen sectoren te stimuleren en het totale aantal aanvragen – met het oog op de uitvoerbaarheid van de regeling – behapbaar te houden. De gezamenlijke inzet van SZW en sociale partners is om te komen tot logische, sectorbrede samenwerkingsverbanden met een zekere schaalgrootte. Voorafgaand aan de officiële aanvraagperiode zal hierover het gesprek met potentiële aanvragers worden aangegaan.

Van het beschikbare budget van € 1 miljard zal circa € 40 miljoen worden afgescheiden voor specifieke maatregelen met een ander bereik dan samenwerkingsverbanden op sectoraal niveau. Het is mogelijk om uit dit budget relevante initiatieven met een bovensectoraal karakter te financieren. Daarnaast kan vanuit dit budget worden voorzien in de ondersteuning van sociale partners en SZW om een goede en tijdige uitwerking te geven aan de afspraken uit het pensioenakkoord.

Welke activiteiten komen voor subsidie in aanmerking?
Er wordt subsidie verleend voor activiteiten die zijn opgenomen in een integraal activiteitenplan dat is gebaseerd op een analyse van de meerjarige opgaven waarvoor de betreffende sector staat. De maatregelen in het activiteitenplan moeten een stevige impuls geven aan de duurzame inzetbaarheid in de sector en gericht zijn op het structureel verankeren van de aandacht voor duurzame inzetbaarheid. De activiteitenplannen hebben zoveel mogelijk betrekking op alle werkenden in de sector, dus niet alleen op werknemers in vaste dienst.

Maatregelen voor duurzame inzetbaarheid kunnen zich richten op de volgende thema's:

  • het bevorderen van gezond, veilig en vitaal werken;
  • het bevorderen van goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap;
  • het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden;
  • het bevorderen van bewustwording en eigen regie van werkenden op hun loopbaan.


Er zal een zogenaamde 'menukaart' beschikbaar worden gesteld waarin per thema voorbeelden van subsidiabele activiteiten zijn opgenomen. De menukaart kan sociale partners een handreiking bieden maar is niet limitatief; de subsidieregeling wil juist ruimte bieden aan allerlei maatregelen waarmee sectoraal maatwerk kan worden gerealiseerd.

Naast duurzame inzetbaarheidsmaatregelen is in de regeling ruimte voor maatregelen gericht op knelpunten rond eerder uittreden. Daarbij is het belangrijk dat per aanvraag voldoende wordt ingezet op zowel maatregelen gericht op duurzame inzetbaarheid als op maatregelen gericht op eerder uittreden. Dit betekent dat activiteitenplannen die enkel gericht zijn op het eerder laten uittreden van werknemers in de komende jaren niet voor subsidie in aanmerking komen; het is belangrijk dat sociale partners in sectoren verder vooruitkijken en de middelen inzetten om een impuls te geven aan de duurzame inzetbaarheid van werkenden in hun sector. Activiteitenplannen die enkel of grotendeels gericht zijn op duurzame inzetbaarheid komen wél voor subsidie in aanmerking. Het kabinet zal in de subsidieregeling een minimumpercentage opnemen voor het aandeel duurzame inzetbaarheid.

Daarnaast zal de regeling een aantal aanvullende voorwaarden bevatten voor subsidieaanvragen die zien op een bijdrage in de kosten van eerder uittreden. Als er in sectoren sprake is van een regeling voor eerder uittreden, moet die gericht zijn op een groep werkenden voor wie doorwerken tot aan pensioen moeilijk is. Een regeling moet dus specifiek zijn en mag niet gericht zijn op alle werkenden in de betreffende sector. Sociale partners wordt gevraagd de keuze voor een specifieke groep oudere werknemers in hun sector die vanwege de zwaarte van het werk een uitkering aangeboden krijgt, te onderbouwen met een analyse. Verder moet een eventuele regeling voor eerder uittreden aansluiten bij de wettelijke voorwaarden die worden gesteld aan de fiscale verruiming van de mogelijkheden die werkgevers hebben om eerder uittreden mogelijk te maken. Dat wil zeggen dat een regeling geen structureel karakter mag hebben, niet mag voorzien in individuele uitkeringen hoger dan de drempelvrijstelling in de RVU-heffing, en de aanvangsdatum niet eerder dan drie jaar voor AOW-leeftijd mag zijn. Verder hebben regelingen voor eerder uittreden altijd een vrijwillig karakter en maken werknemers die er gebruik van maken voor de betreffende aanstelling geen aanspraak op WW.

Subsidie
Het kabinet geeft op de onderdelen van het activiteitenplan die zien op duurzame inzetbaarheid een subsidie van maximaal 50%. Voor de onderdelen die betrekking hebben op knelpunten rond eerder uittreden geeft het kabinet een subsidie van circa 25%. De rest van de kosten komt ten laste van sector of de werkgever. Als het gaat om een bijdrage in de kosten van eerder uittreden kunnen sectoren differentiëren; kleine werkgevers zullen wellicht een hogere tegemoetkoming nodig hebben om een uitkering voor eerder uittreden te kunnen financieren, voor grotere werkgevers zou dat percentage lager kunnen zijn. Een subsidie van circa 25% voor het wegnemen van knelpunten rond eerder uittreden bevordert een goede afweging door sociale partners over welke werknemers zij in aanmerking willen laten komen voor een tijdelijke uitkering voor eerder uittreden. Daarnaast levert het kabinet op het terrein van eerder uittreden een belangrijke bijdrage via de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing bij eerder uittreden.

Tijdpad
Het streven is om de tijdelijke subsidieregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden in juli in internetconsultatie te brengen. Vanaf september volgt een informele fase van overleg met sociale partners in sectoren om reacties op te halen en behoeften te peilen; een fase die in de huidige onzekere situatie extra belangrijk is. Tijdens de informele fase zal ook in beeld worden gebracht in hoeverre sectoren praktisch uit de voeten kunnen met de voorgestelde inrichting van de subsidieregeling ten aanzien van onder meer cofinancieringspercentages en de wijze van aanvragen. Op basis van de bevindingen uit de informele fase en de reacties op de internetconsultatie zal de subsidieregeling eind 2020 definitief worden vastgesteld.

Tussen januari 2021 en juni 2021 is het de bedoeling een analysefase in te zetten. In deze fase kunnen sectoren voorafgaand aan het opengaan van het eerste tijdvak een sectoranalyse en activiteitenplan (laten) maken. Sectoren kunnen hiervoor vooraf een forfaitaire vergoeding aanvragen bij SZW. Een dergelijke analysefase geldt ook bij het tweede tijdvak. Door vooraf ruimte in te richten voor een sectoranalyse en door goede voorlichting vanuit SZW en vertegenwoordigers van sociale partners in de Stichting van de Arbeid wordt bevorderd dat er vanaf juni 2021 onderbouwde subsidieaanvragen kunnen worden ingediend.

Het voornemen is de middelen beschikbaar te stellen in opeenvolgende subsidietijdvakken. Als eerste wordt een tijdvak voor de bovengenoemde analysefase opengesteld. Het eerste tijdvak voor de activiteitenplannen zal in juni 2021 worden opengesteld, een tweede tijdvak in januari 2022. In deze twee tijdvakken komt een substantieel deel van de € 1 miljard beschikbaar voor tweejarige projecten. In juni 2023 en in januari 2024 openen een derde en vierde subsidietijdvak. Daarin is verlenging van de reeds lopende activiteitenplannen mogelijk, en staat een mogelijkheid open voor late aanvragers. Ook voor aanvragen in het derde en vierde tijdvak geldt een projectperiode van twee jaar.

Meer informatie
Kijk voor meer informatie op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/07/06/kamerbrief-contouren-subdieregeling-duurzame-inzetbaarheid-en-eerder-uittreden

Terug naar overzicht