Cookievoorkeuren
InstellingenIk ga akkoord

Nieuws

jun
3

Warmtenetten Investeringssubsidie aangepast en weer open

De wijziging heeft onder andere betrekking op de berekeningsgrondslag voor de subsidie, aanpassingen voor gecombineerde projecten en projecten met blokaansluitingen, en de toevoeging van de aanleg of uitbreiding van thermische opslag als subsidiabele activiteit. De bedoeling is dat door deze wijziging meer projecten en ook een grotere diversiteit aan warmtenetten in aanmerking komen voor subsidie en tegelijkertijd de regeling eenvoudiger wordt in zowel de aanvraag als het beheer.

Berekeningsgrondslag
In de vorige openstelling was de grondslag voor de subsidie mede gebaseerd op de onrendabele top van het project. Een belangrijk knelpunt dat naar voren is gekomen uit de gesprekken met de markt, is dat de modelberekening van de onrendabele top te ver afwijkt van de onrendabele top die volgt uit de interne business case van het bedrijf.

Binnen de nieuwe openstelling is de wijze van subsidieberekening daarom gewijzigd en zal deze niet meer afhangen van de onrendabele top in het project, maar wordt in plaats daarvan berekend als een vast percentage van de investeringskosten. In beginsel bedraagt de steunintensiteit maximaal 30% van de subsidiabele kosten.

Gecombineerde projecten
De WIS wordt verder gewijzigd voor ‘gecombineerde projecten’. Dat zijn projecten die behalve kleinverbruikers in de bestaande bouw, ook nieuwbouw of grootverbruikers aansluiten. Deze aansluitingen maken soms gebruik van dezelfde infrastructuur die wordt aangelegd voor de kleinverbruikersaansluitingen. In de vorige openstelling van de WIS moesten deze kosten naar rato van warmtevermogen worden uitgesplitst en ontving het warmtebedrijf alleen subsidie over het aandeel van de investering dat toegerekend werd aan de kleinverbruikers.

Dit staat niet in verhouding met de meerkosten voor het aanleggen van een grotere diameter leiding, waardoor aanvragers onevenredig werden gekort. Dit is met de nu gepubliceerde wijziging aangepast, zodat de volledige investering van de gedeelde infrastructuur in aanmerking komt voor subsidie. Wel blijft het zo dat onderdelen die alléén bedoeld zijn voor nieuwbouw of grootverbruik niet in aanmerking komen voor subsidie.

Blokaansluitingen
Ook wordt de WIS gewijzigd voor zogenaamde blokaansluitingen. Dat zijn aansluitingen van het warmtenet in een gebouw op een collectieve afleverset, waarachter zich appartementen bevinden die de eindbegunstigden zijn van de warmte. In de vorige openstelling werden deze aansluitingen niet meegeteld voor het minimumaantal kleinverbruikersaansluitingen van 250. Dat werd niet gedaan vanwege het uitgangspunt dat blokaansluitingen rendabeler zijn dan kleinverbruikersaansluitingen en dus minder of geen subsidie nodig hebben.

In de marktconsultatie is gesignaleerd dat dit niet altijd het geval is. Bovendien kunnen blokaansluitingen de startmotor zijn voor het realiseren van een warmtenet voor de hele wijk en wordt er in de gebouwen wel fors minder aardgas gebruikt. De WIS is daarom op dit punt gewijzigd. In de nieuwe openstelling tellen de woningen achter een blokaansluiting mee in het minimumaantal kleinverbruikers van 250. Bovendien komen kosten voor de aansluiting tot aan de gevel in aanmerking voor subsidie.

Thermische opslag
Ook komt vanaf deze openstelling ook een systeem voor thermische opslag in aanmerking voor subsidie. Thermische opslag draagt bij aan een efficiënte inzet van duurzame warmtebronnen. Daarnaast kan thermische opslag een grotere benutting van duurzame warmtebronnen (meer vollasturen) faciliteren, de piekvraag verlagen en bijdragen aan het voorkomen van netcongestie.

Er worden enkele voorwaarden gesteld aan de thermische opslag. Het systeem voor thermische opslag moet gekoppeld zijn aan het warmtenet en ten dienste staan aan aansluitingen die in het project worden gerealiseerd. Ook moet er gebruik worden gemaakt van bewezen technieken.

Volloop
In de WIS zat een afwijzingsgrond voor projecten waarvoor niet aangetoond was dat er een minimum aansluitpercentage van 60% zou zijn. Er wordt vanaf deze openstelling anders gekeken naar de volloop. Voor de subsidiabele activiteit is het van belang dat er een project wordt ingediend dat haalbaar is en voldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling. De afwijzingsgrond is daarom aangepast door het schrappen van het minimum aansluitpercentage.

De WIS blijft selecteren op concrete, ver uitgewerkte projecten die haalbaar worden geacht. Een gebrek aan een goede onderbouwing van de aanname dat verbruikers gebruik zullen maken van de warmte en dat het warmtenet bij realisatie in gebruik genomen wordt, blijft een grond voor afwijzing. In aanvulling op deze aanpassing is er een nieuwe informatieverplichting toegevoegd. Hierin is bepaald dat een aanvraag vergezeld moet gaan met een beschrijving van de wijze waarop het plan aansluit op het gemeentelijk beleid met betrekking tot de warmtetransitie.

Subsidie-caps
De WIS werkt met caps op het subsidiebedrag. Deze zorgen voor een maximale subsidiehoogte op basis van eigenschappen in het project, waarbij het laagste maximum geldt. In de nieuwe openstelling blijven een aantal maxima van kracht, namelijk een maximale subsidiehoogte van € 30 miljoen per project en een maximale subsidiehoogte die volgt uit het staatssteunkader. Voorheen was dat de onrendabele top met een maximale steunintensiteit van 45%. Met de huidige openstelling is dat ten hoogste 30% van de subsidiabele kosten, waarbij de steunintensiteit met 20 en 10 procentpunten wordt verhoogd voor kleine respectievelijk middelgrote ondernemingen.

Ten behoeve hiervan wordt er nadrukkelijker onderscheid gemaakt tussen het primair warmtenet, al dan niet met een systeem voor thermische opslag, het secundair warmtenet en de wijkdistributienetten. Het primaire warmtenet is het transportnet waarmee warmte vanuit de primaire warmtebron wordt getransporteerd naar een secundair warmtenet of rechtstreeks naar de verbruiker. Het secundaire warmtenet is een afgescheiden deel van het primaire warmtenet of van de warmtebron door middel van een warmteoverdrachtstation of onderstation ten behoeve van het transport van warmte naar verbruikers.

In de WIS komen projecten voor waarbij een bestaand warmtenet wordt uitgebreid alsook projecten waarbij een nieuw warmtenet wordt aangelegd. Bij nieuwe warmtenetten en in sommige uitbreidingsprojecten wordt een relatief groot deel primair warmtenet aangelegd om nieuwe gebieden te kunnen ontsluiten. Voorheen was de cap op kleinverbruikers van toepassing op de som van de subsidiabele kosten voor het primaire warmtenet en het wijkdistributienet. Vanaf deze openstelling wordt een aparte cap gehanteerd voor de investeringen in het primaire net, al dan niet met thermische opslag.

Het onderscheid zorgt voor een goede werking van de caps voor beide situaties en bovendien voor meer ruimte om investeringen in een primair warmtenet en een systeem voor thermische opslag op te nemen in het subsidieproject. Voorheen waren deze caps voornamelijk bedoeld om te voorkomen dat de subsidiebedragen, berekend op basis van de onrendabele top, te hoog zouden oplopen. Met de nu bekendgemaakte wijziging dienen de caps vooral om excessen te voorkomen.

De cap op kleinverbruikersaansluitingen blijft bestaan. Deze wordt wel gewijzigd en zal nu € 7000 per kleinverbruikersaansluiting bedragen voor de wijkdistributienetten ongeacht of de klant een huurder of particuliere eigenaar betreft.

Verbod op herindiening
Op het bestaande verbod op herindiening is in de regeling een uitzondering geformuleerd. Concreet is de mogelijkheid gecreëerd dat subsidieontvangers onder bepaalde voorwaarden opnieuw een aanvraag kunnen indienen ten aanzien van hetzelfde project. Hierbij geldt dat de eerdere subsidieverlening onherroepelijk is ingetrokken dan wel vastgesteld. Activiteiten waarvoor eerder subsidie is ontvangen, komen niet opnieuw in aanmerking voor subsidie. Bovendien mag er niet zijn gestart met het project voorafgaand aan de nieuwe subsidieaanvraag.

Energie-efficiënt warmtenet
In de regeling is bepaald dat het warmtenet moet voldoen aan een maximum uitstoot van 25 kilogram CO2 per eenheid geleverde warmte in GJ. Vanaf deze openstelling is het voldoen aan deze norm niet langer uiterlijk in 2030 vereist, maar vanaf de einddatum van het betreffende project. De reden hiervoor is dat er binnen deze openstelling projecten kunnen zijn die pas na 2030 worden afgerond. Projecten die vóór 2030 worden afgerond, moeten eveneens op de einddatum voldoen aan de maximum uitstoot van 25 kg CO2 per GJ geleverde warmte.

Openstelling en subsidieplafond
Aanvragen in het kader van de nieuwe openstelling kunnen van 1 augustus 2025 tot en met 16 januari 2026 worden ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Voor deze openstelling is € 200 miljoen beschikbaar.

Terug naar overzicht