Nieuws

apr
2

Aanvullende aanvraagperiode voor de Subsidieregeling praktijkleren

De Subsidieregeling praktijkleren (PRAKTIJKLEREN) is gewijzigd in verband met een aanvullende aanvraagperiode voor werkgevers die in 2020 vanwege de coronapandemie niet in staat waren op tijd een subsidieaanvraag in te dienen.

Tussen 1 juli 2020 en 16 september 2020 konden werkgevers die in het studiejaar 2019-2020 een praktijk- of leerwerkplaats hebben aangeboden aan een leerling, student, promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio) een aanvraag indienen voor de Subsidieregeling praktijkleren. Na het sluiten van het aanvraagloket heeft een aantal werkgevers de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) benaderd en aangegeven dat zij er niet in zijn geslaagd hun aanvraag tijdig in te dienen door oorzaken die samenhangen met de coronapandemie.

Volgens de Subsidieregeling praktijkleren worden te laat ingediende aanvragen afgewezen. In het kader van de coronapandemie is echter een noodregeling vastgesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), namelijk de Verzamelregeling subsidies OCW COVID-19. In die regeling is een hardheidsclausule opgenomen die het mogelijk maakt af te wijken van bepalingen in OCW-subsidieregelingen. Afwijken is mogelijk wanneer de toepassing van bepalingen in subsidieregelingen, gelet op de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan, voor subsidieaanvragers zou leiden tot een 'onbillijkheid van overwegende aard'. Gelet op deze mogelijkheid worden werkgevers die zich binnen veertien dagen na sluiting van het aanvraagloket gemeld hebben bij RVO nu alsnog in de gelegenheid gesteld om een aanvraag in te dienen.

De werkgevers die in de gelegenheid worden gesteld om opnieuw een aanvraag in te dienen, moeten hun beroep op de hardheidsclausule onderbouwen. De lat om een gegrond beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen ligt hoog. De werkgever moet in ieder geval kunnen aantonen dat:

  • 1. het niet tijdig indienen van de aanvraag direct het gevolg is van de corona-uitbraak of de coronamaatregelen én dat de corona-uitbraak of de coronamaatregelen zodanige gevolgen hadden dat de werkgever niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen. Een combinatie van factoren waardoor de aanvraag niet tijdig kon worden ingediend, waarvan de corona-uitbraak of de coronamaatregelen één van de factoren was, leidt niet tot een gegrond beroep. Ook het feit dat een medewerker die de aanvraag zou indienen vanwege corona is ziekgemeld, is onvoldoende. In dat geval wordt ervan uitgegaan dat een andere collega dit werk had kunnen overnemen. De werkgever moet kortom kunnen aantonen hoe een corona-uitbraak of coronamaatregel het indienen van een aanvraag voor het sluiten van het loket op 16 september 2020 om 17:00 uur, heeft belet;
  • 2. er sprake zou zijn van een 'onbillijkheid van overwegende aard' indien niet alsnog subsidie zou worden verstrekt. De werkgever legt documenten over waaruit blijkt:
    • a. dat hij financiële schade lijdt indien hij niet voor subsidie in aanmerking komt; en
    • b. welke gevolgen dit heeft voor het bedrijf.


Een beroep op de hardheidsclausule kan alleen dan worden gehonoreerd wanneer de bovenstaande punten met schriftelijke bewijzen kunnen worden aangetoond. Als bewijzen kunnen bijvoorbeeld dienen interne of externe berichtgeving waaruit blijkt dat een bedrijf gesloten is vanwege een corona-uitbraak op het moment dat de aanvraag ingediend zou worden en financiële gegevens waaruit de schade blijkt. Werkgevers die zich tussen 16 en 30 september 2020 om 17:00 uur hebben gemeld bij RVO, worden door RVO in de gelegenheid gesteld om tussen 3 mei 2021, 9:00 uur, en 21 mei 2021, 17:00 een aanvraag in te dienen bij RVO.

Voor subsidieverstrekking voor de nieuwe aanvraagperiode zijn ook aparte subsidieplafonds vastgesteld. In totaal is € 3,1 miljoen beschikbaar voor de afhandeling van de aanvragen die uit deze wijziging voortkomen. Het budget wordt naar verhouding van de gebruikelijke budgetten verdeeld over de doelgroepen vo, mbo, hbo en promovendi/toio’s.

Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats of gerealiseerde leerwerkplaats wordt berekend aan de hand van het beschikbare bedrag voor de desbetreffende categorie, gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkleerplaatsen of werkleerplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie voor die categorie. Daarbij gelden de bedragen die de subsidieaanvragers die hun aanvraag over het studiejaar 2019-2020 vóór 16 september om 17.00 hebben ingediend, als maximum. Deze maximumbedragen per gerealiseerde praktijkleerplaats of werkleerplaats zijn:

  • vmbo/pro/vso: € 2700;
  • mbo: € 2079,27
  • hbo: € 654,75;
  • promovendi/toio’s: € 2700


Voor praktijkleerplaatsen in het mbo in de sectoren landbouw, horeca en recreatie geldt daarnaast een toeslag van maximaal € 1567,20 per volledige praktijkleerplaats.

Terug naar overzicht