Nieuws

jun
1

Prognose gebruik WBSO in 2016 en reactie op suggestie aanscherping criteria gepubliceerd

Minister Kamp van Economische Zaken heeft de Tweede Kamer ge├»nformeerd over de prognose van het gebruik van de S&O-afdrachtvermindering (WBSO) in 2016 en over de criteria die binnen de WBSO worden gebruikt om te bepalen of er sprake is van R&D. Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2017 heeft de staatssecretaris van Financi├źn toegezegd dat dit voorjaar een prognose zal worden gegeven op basis van alle toegekende WBSO in 2016. Met Prinsjesdag volgen de definitieve cijfers.

In 2016 hebben 22.330 bedrijven WBSO toegekend gekregen, waarvan ruim 97% MKB. Het aantal gebruikers is licht gedaald ten opzichte van 2015 (-2,8%). Deze daling laat zich deels verklaren doordat de definitie van R&D in de WBSO per 2016 is ingeperkt. Het uitvoeren van een analyse van de technische haalbaarheid voor het zelf verrichten van R&D en het uitvoeren van procesgericht technisch onderzoek komen niet meer in aanmerking. De totale hoeveelheid R&D-arbeidsjaren is in 2016 wel toegenomen. Bedrijven hebben gemiddeld dus meer aan R&D gedaan. 

 

De budgetuitputting van de WBSO zal in 2016 naar verwachting hoger zijn dan eind 2015 geraamd (+5%). Dit komt met name omdat de R&D van bedrijven (aantal R&D-arbeidsjaren) sterker is gestegen dan vooraf voorzien, en bedrijven de WBSO-ondersteuning voor de R&D-niet-loonkosten beter (kunnen) verzilveren dan in voorgaande jaren. Sinds 2016 komen R&D-niet-loonkosten ook in aanmerking voor de WBSO. Voorheen werden deze ondersteund door de Research- en Development Aftrek (RDA), in de vorm van een aftrekpost in de winstbelasting. 

 

Het MKB ontvangt in 2016 naar verwachting 63,5% van het budget. Het aandeel MKB ontwikkelt zich daarmee, conform verwachting, stabiel ten opzichte van de situatie voor de integratie van de RDA in de WBSO. Het is belangrijk om te benadrukken dat ook deze nieuwe raming nog niet definitief is, omdat het uiteindelijke gebruik en de verdeling van het budget afhankelijk zijn van de werkelijk gerealiseerde R&D door bedrijven. De definitieve cijfers zullen halverwege 2017 bekend zijn en met Prinsjesdag gepubliceerd worden. 

 

Minister Kamp geeft in de brief ook een reactie op de suggestie van het CPB om de WBSO-criteria aan te scherpen, bijvoorbeeld door te vragen naar kennis die ‘nieuw is voor de wereld’ of ‘nieuw voor het land’. Naar aanleiding van deze suggesties in Kansrijk Innovatiebeleid heeft het ministerie gekeken naar criteria van fiscale innovatieregelingen in andere landen. Het blijkt internationaal gebruikelijk om de Frascati-definitie voor R&D als uitgangspunt te nemen voor de grondslag voor fiscale innovatieregelingen. Onder de Frascati-definitie moet een R&D-activiteit: novel, creative, uncertain, systematic, transferable and/or reproducible zijn. Deze vijf criteria voor R&D door bedrijven uit de Frascati-definitie komen terug in de wet- en regelgeving van de WBSO en de wijze waarop RVO de WBSO-aanvragen van bedrijven beoordeelt. ‘Nieuw voor het land’ of ‘nieuw voor de wereld’ maakt geen deel uit van deze definitie.

De WBSO is zo vormgegeven dat de ondernemer de aanvraag voorafgaand aan de te verrichten R&D-werkzaamheden indient en vooraf zekerheid krijgt welke activiteiten wel en niet subsidiabel zijn. Verzwaring van het nieuwheidscriterium naar ‘nieuw voor de wereld’ verschuift de beoordeling naar de uitkomst van innovatie-activiteiten. 

Doordat criteria voor fiscale innovatieregelingen op dit moment al vergelijkbaar zijn tussen landen, zal een verscherping van de voorwaarden in de WBSO leiden tot een verslechtering van het vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven, contrair aan het doel om het vestigingsklimaat voor R&D te verbeteren. Ook zal opname van deze criteria sterk drempelverhogend voor met name het kleinbedrijf (19.122 bedrijven, 84,5% van het WBSO-totaal) en het middenbedrijf (2.628 bedrijven, 12,7% van het WBSO-totaal). 

 

Klik hier voor inzage in de Kamerbrief. 

Terug naar overzicht